Het is een jaar geleden dat ‘de vluchtelingencrisis’ in het najaar van 2015 Europa overweldigde, met beelden van achtergelaten zwemvesten op Griekse stranden, rijen vluchtelingen in de modder in verschillende Balkanlanden, of gestrand op treinstations over het gehele continent. Na het sluiten van de Turkije-deal in april 2016 is het probleem in ieder geval grotendeels uit de publieke perceptie verdwenen, al zijn de oorzaken van de crisis nog steeds niet opgelost. Slavoj Žižek – filosoof, activist, publieke intellectueel, ‘het denkbeest van Ljubljana’ – wijdde er dit jaar het boekje, of eigenlijk een lang essay aan: ‘Against the Double Blackmail: Refugees, Terror and Other Troubles with the Neighbours’ aan. Niet alles in het boekje is even relevant, en niet alles is even helder, maar interessant zijn wel de oplossingen die Žižek aandraagt en zeker de vraag die hij tot slot opwerpt: wat als we de vluchtelingencrisis nu eens niet alleen als probleem zien, maar ook als mogelijkheid de wereld ten goede te veranderen?

Žižek behandelt niet alleen de oorzaken en gevolgen van de vluchtelingencrisis, maar ook een boel onderwerpen die daar meer of minder mee samenhangen: de opkomst van IS in Syrië en Irak, de terreuraanslagen in Parijs, en de gebeurtenissen in Keulen met Oudjaar 2015 (“an obcene lower-class carnival,” aldus Žižek). Zoals wel vaker moet Žižek het niet hebben van uitputtende analyses en lange argumentaties. Hoofdstukken en alinea’s beginnen met andere onderwerpen dan waarmee ze begonnen zijn, en naar het precieze punt blijft het soms gissen. Zonder moeite springt Žižek van een analyse van de omgang met vluchtelingen, naar Lacaniaanse psychoanalyse, naar een bespreking van John Ford’s western The Searchers. Eerder dan een doorwrocht betoog biedt Žižek een collage van ideeën. Het voert daarom wat te ver het boekje hier uitputtend te bespreken. We beperken ons tot de ook door Žižek centraal gestelde, en aan Lenin ontleende vraag: ‘Wat moeten we doen?’

De titel van Žižek’s boekje laat zich gemakkelijk verklaren als een waarschuwing om niet ten prooi te vallen aan de twee uitersten van reacties op de vluchtelingencrisis: enerzijds om de grenzen geheel te sluiten, anderzijds om deze zo wijd mogelijk open te gooien. Volgens Žižek is de eerste reactie ethisch niet te verdedigen, terwijl de tweede getuigt van hypocrisie. “The greatest hypocrites are those who advocate open borders: secretly, they know very well this will never happen,” schrijft Žižek, “They play the Beautiful Soul, which feels superior to the corrupted world while secretly participating in it: they need this corrupted world as the only terrain where they can exert their moral superiority.” (p. 8). Simpele empathie met vluchtelingen is niet voldoende om de problemen op te lossen. Hoe meer we vluchtelingen zien als slachtoffers die hulp nodig hebben, hoe verder we raken van een oplossing die ook de wortels van de crisis – die volgens Žižek ononwonden gezocht moeten worden in Westers economisch neo-kolonialisme – raakt. Medeleven en begrip zijn niet genoeg.

Via een nader onderzoek van het begrip van de ‘naaste’ komt Žižek tot de kern van zijn betoog. In beginsel is elke vreemde, elke ander, elke naaste eng: hij is anders, we weten niet wie hij is, wat hij wil, waarom hij doet wat hij doet. Die kloof is onoverbrugbaar, Žižek gelooft niet in universeel menselijke dimensie die ons allemaal verbindt en die ons elkaar laat begrijpen: empathie met de ander is onzin. De enige verbinding die we met elkaar hebben is dat ook wij ook voor onszelf vreemden zijn: ook ik weet niet wat ik eigenlijk wil, stelt Žižek na een uitstapje naar de Lacaniaanse psychoanalyse. En het is precies in deze onmenselijke dimensie dat wij de ander vinden, en waarop we ook onze houding tot vluchtelingen moeten baseren:

“What if ‘getting to know them’ reveals that they are more or less like us – impatient, violent, demanding – plus, usually, part of a culture that cannot accept many of the features we perceive as self-evident? One should therefore cut the link between refugees and humanitarian empathy, in which we ground our help to refugees in our compassion for their suffering. We should, rather, help them because it is our ethical duty to do so, because we cannot not do it if we want to remain decent people, but withour any of the sentimentalism that breaks down the moment we realize that most of the refugees are not ‘people like us’ (not because they are foreigners, but because we ourselves not ‘people like us’) […] It is not enough to do (what we consider to be) the best for the refugees, receive them with open hands, show sympathy and generosity to the utmost of our ability. The very fact that such displays of generosity make us feel good should make us suspicious: are we not doing this to forget what is required?” (p. 81-82)

Kortgezegd komt het erop dat we onze hulp aan vluchtelingen niet moeten baseren op empathie of compassie met het menselijk lijden. Nee, hulp moet geboden worden omdat dat onze ethische plicht is. Alleen door sentimentaliteit geheel buiten spel te zetten kunnen niet alleen doen wat we denken dat goed is, maar ook dat wat noodzakelijk is.

Maar wat is dat dan, hetgeen dat noodzakelijk is? Vanaf dit punt worden de oplossingen die Žižek aandraagt wat schetsmatig. Wat hij op praktisch gebied voorstelt is niet nieuw: het op grote schaal coördineren en organiseren van vluchtelingenstromen middels het opzetten van receptiecentra dicht bij brandhaarden, waar vluchtelingen geregistreerd kunnen worden en vervolgens op georganiseerde wijze over Europa herverdeeld moeten worden. Dit vraagt om een grootschalige militarisatie: slechts het leger is in staat zo’n grootschalige operatie uit te voeren. Asielcriteria moeten opnieuw en helder vormgegeven worden. Landen moeten accepteren dat zij vluchtelingen op moeten nemen, en vluchtelingen moeten accepteren dat zij niet vrij kunnen kiezen in welk land ze gevestigd worden. Tot zover niets nieuws.

Interessanter wordt het bij hetgeen Žižek daarna voorstaat. Eenmaal gesettled moeten vluchtelingen “opgeleid worden in hun vrijheid” (p. 96), alleen dan is echte emancipatie mogelijk. Dat is echter meer dan het simpelweg opleggen van een Westers waardensysteem, veel van wat wij in Westen als grote verworvenheden zien – individualisme, egalitarisme, persoonlijke vrijheden en het recht alles belachelijk te mogen maken – wordt in andere delen van de wereld met argusogen bekeken. Žižek verafschuwt echter eveneens een simpel multiculturalisme, waarin verschillende culturen op gelijke voet naast elkaar leven. Dat leidt onherroepelijk tot conflicten. Het blijven tolereren van racisme, seksisme of brutaliteit als eigenheden van een individuele cultuur is evenmin een optie.

Zonder een gedeelde ‘civility’ leidt multiculturalisme slechts tot wederzijds onbegrip en haat. Er is een stap nodig die verder gaat dan dat, er is meer nodig dan tolerantie: “The only way to break out of this deadlock is to move beyond mere tolerance of others. Don’t just respect others: offer them a common struggle, since our problems today are common; propose and fight for a positive universal project shared by all particpants.”(p. 100). Wat we nodig hebben is een positieve, emancipatoire Leitkultur. De strijd voor vluchtelingenrechten hangt samen met de strijd tegen Westers neokolonialisme (want wordt daardoor veroorzaakt), met de strijd tegen alle vormen van fundamentalisme en wat al niet meer. We moeten op zoek naar een nieuw alternatief, een nieuw project voor een gedeelde wereld: “So let’s bring class struggle back – and the only way to do it is to insist on the global solidarity of the exploited and the opressed. […] Maybe such global solidarity is a utopia. But if we don’t engage in it, then we are really lost. And we will deserve to be lost.” (p. 110)

In die zin is hetgeen wat als de ‘vluchtelingencrisis’ bekend is geworden niet alleen een probleem dat een oplossing behoeft, maar tevens een mogelijkheid tot nieuwe en wellicht betere wereld. De problemen en uitdagingen die vluchtelingen in onze huidige samenleving opwerpen zijn centraal voor hoop van de problemen die we tegenwoordig in de wereld hebben, betoogt Žižek. De strijd van vluchtelingen is daarmee ook de kern van de strijd voor een nieuwe wereld, waarin degene die uitgesloten worden niet langer gezien wordt als paria of als dreiging, maar juist als kans voor een betere toekomst voor iedereen.

De vraag die openblijft is wel wat we met zo’n utopie moeten in de praktijk, als we er meer mee willen dan een interessante denkoefening. De gezamenlijke strijd van alle minderbedeelden en onderdrukten tegen onrecht is niet alleen utopisch, maar lijkt ook verder weg dan ooit in een wereld waar individualisme hoogtij viert en iedereen als eerste altijd aan zichzelf denkt. In die zin is de situatie niet echt hoopvol, en ook Žižek’s geruststelling dat de werkelijk moedige houding is toe te geven dat het licht aan het eind van de tunnel waarschijnlijk het licht is van de trein die uit tegenovergestelde richting aankomt (p. 108) biedt weinig soelaas. De utopische dimensie van de oproep tot wereldwijde solidariteit wordt ook door Žižek ten volle onderkend. Biedt zijn boek dan meer loze woorden dan ideeën waar we iets aan hebben? Nee, dat ook weer niet. Als de situatie echt zo hopeloos is maakt dat de zaken ook ergens wel weer heel eenvoudig: als we het niet nu doen, wanneer dan wel?

Slavoj Žižek. Against the Double Blackmail: Refugees, Terror and Other Troubles with the Neighbours. London: Allan Lane, 2016.

Hier zet Zizek enkele kernpunten van het boek kort uiteen in een lezing bij de New York University in oktober 2015.