Wenn man ein Fremder wird, sagt Awad, hat man keine Wahl mehr. Man weiß nicht, wohin. Man weiß nichts mehr. Ich kann mich selbst nicht mehr sehen, das Kind, das ich war. (80)

Als je een vreemde wordt, dan heb je geen keus meer. Deze woorden van Awad hoort de gepensioneerde Richard in de nieuwe roman van Jenny Erpenbeck. Richard doceerde aan de universiteit, hij bestudeerde literatuur, de kunst van het vertellen van verhalen. Na zijn pensioen is hij op zoek naar een nieuw doel in zijn leven. Nieuwe verhalen om te vertellen. De verhalen van Awad, Osarobo, Tristan, Rufu, Apoll, Raschid en vele anderen. De verhalen van donkere mannen, zwarte mannen, de verhalen van vreemdelingen.

Onder het mom van het doen van onderzoek mengt Richard zich in een groep demonstrerende vreemdelingen; eerst op het Oranienplatz in Berlijn, dan in een huis waar enkele mannen onderdak krijgen. Hij bezoekt de mannen wanneer ze ver buiten de stad in een nieuw gebouw worden gezet, stelt langzaam zijn eigen huis open en absorbeert een wereld die telkens weer vreemd blijkt. Een wereld gekenmerkt door onzekerheid en wachten, waarin men is overgeleverd aan grillige besluiten waar geen peil op te trekken valt.

Ingewijde lezers herkennen het ontstaan en verloop van de protestbeweging van vluchtelingen Oranienplatz Berlin. Die beweging komt in 2012 op en klaagt de migratieregels in Duitsland en Europa aan, demonstreert tegen de situatie waarin vluchtelingen moeten leven, de waarheidsregimes waar mensen aan onderworpen worden. De machtspolitiek waarmee door de overheid op het protest gereageerd wordt, wordt minutieus beschreven: een politiek van verdelen en heersen, waarin mensen langzaam gebroken worden om het verzet te doven.

Door voor een oningewijde protagonist te kiezen, zuigt Erpenbeck de lezer langzaam de onbekende wereld van de migratiepolitiek en -praktijk in. Samen met Richard ontdek je het raamwerk van wetten en regels waarin de vreemdeling zich moet bewegen, het waanzinnige doolhof waar geen uitgang lijkt te zijn. Maar meer nog luister je naar de verhalen van de mannen waar het over gaat. Naar de levens die zij hadden in het land waar ze thuis waren. De verhalen van hun reis naar veiligheid, in kampen, op straat, verhalen van overleven.

Voor de ogen van de blanke, oude man ontvouwt zich het drama van de jonge, zwarte man. Deze tegenstelling kan snel uiterst ongemakkelijk worden, maar Erpenbeck jongleert kunstig met dit gevoel van ongemak en weet een balans te houden waarin recht wordt gedaan aan een ontmoeting van ogenschijnlijk tegengestelde werelden, die echter alleen samen kunnen bestaan.

Langzaam dreigt Richard zich te verliezen in de wereld die zich voor hem openbaart. De wereld van de willekeur, van het onbegrip. De wereld waar hij grip op probeert te krijgen. Maar heeft hij een keuze in die wereld? Wat maakt het uit dat hij werk voor een enkeling creëert? Dat hij zijn huis openstelt, eerst voor één, dan twee, steeds meer mannen? Kan hij bijdragen aan een betere wereld? Of blijkt alles een druppel op een gloeiende plaat?

Misschien dragen de pianolessen van Richard uiteindelijk weinig bij aan blijvende verandering, wat een dergelijke verandering dan precies moge zijn. Maar Gehen, ging, gegangen kan meer zijn dan een druppel op een gloeiende plaat. De hoop is dat ook de oningewijde lezer het boek te vinden weet en de bladzijden om blijft slaan, om een wereld te ontdekken die wij eigenlijk al lang zouden moeten (ver)kennen.

Jenny Erpenbeck. Gegen, ging, gegangen (2015). In maart 2016 in het Nederlands verschenen als Gaan, ging, gegaan.