Stel je een gebouw voor vol wachtende mensen, tussen wie jij moet leven. Op een station of bij een bushalte met een paar mensen zal je je binnen een kwartier al onrustig voelen en om je heen kijken naar die mensen, die ook onrustig om zich heen of naar hun horloge kijken. Die situatie, maar dan met een paar honderd mensen en jarenlang. Niet wachtend op een bus of een trein, maar om je leven te beginnen. (p. 315)

Semmier Kamier is een man uit Irak, op de vlucht voor de oorlog komt hij via Jordanië, Thailand en Vietnam uiteindelijk op Schiphol terecht. In Nederland vraagt hij asiel, waarna het grote wachten begint. Wachten op een kamer in een azc, wachten op een beslissing van de IND, wachten om aan zijn leven te beginnen. Een man die verstopt tussen schapen zijn land uit komt, slaapt op een begraafplaats, alles aanpakt om te overleven, vele illegale paspoorten verslijt om uiteindelijk, zeven jaar later, op de afdeling Oranje van het asielzoekerscentrum in een kleine stad in Nederland te belanden.

In Hoe ik talent voor het leven kreeg wordt de wereld van de asielzoeker door de ogen van Semmier beschreven. Verschillende personages passeren de revue: Abdoelsalaam, de man die elke dag wacht op de post, Zeinab, de vrouw die voor de andere asielzoekers zorgt, Jelena, de jonge vrouw die wat seksualiteit in het azc brengt, of Kadhem, de man die na de mislukte ontsnapping naar Duitsland compleet verandert en uiteindelijk zelfmoord pleegt.

Het verhaal is zwaar, maar met een lichtheid beschreven die de absurditeit van de situatie laat zien, zoals wanneer Semmier aan Fatima probeert uit te leggen wat zwart werk is:

‘Ze zeggen dat ik zwart werk heb’ zei ze en keek mij vragen aan. ‘Heeft werk in Nederland een kleur?’ ‘Werk heeft geen kleur, maar het zit zo: met een verblijfsvergunning heb je recht om te werken. Dat werk is wit. Zonder verblijfsvergunning heb je geen recht om te werken en als je dan werkt, heet het zwart werk.’ ‘Heeft werk kleur dan?’ herhaalde ze. ‘In Syrië heeft werk geen kleur.’ (p. 177)

Semmier vult de maanden die jaren worden met het helpen van andere asielzoekers, met het leren van de Nederlandse taal en met het observeren van de Nederlanders zelf. Hij ziet hoe medewerkers en vrijwilligers proberen te helpen, maar eigenlijk niet weten wat ze doen. Hoe afstanden gemeten worden in fietsen. Hoe honden beter behandeld worden dan asielzoekers, en hoe moeilijk de afstand tot Nederlanders te overbruggen is.

Op de dag dat Semmier aankomt in het azc, wordt er een kind geboren, Milaad. Milaad wordt de belichaming van Semmiers wachten:

Toen ik op een dag Milaad vroeg hoe oud hij was, antwoordde hij: ‘Bijna zeven’. Ik was dus al bijna zeven jaar in dit gebouw, en dit jongetje zijn hele leven. ‘Waar kom jij eigenlijk vandaan?’ vroeg ik hem. ‘Uit het AZC’, zei hij. (p. 442)

Rodaan Al Galidi. Hoe ik talent voor het leven kreeg. Uitgeverij Jurgen Maas, 2016.

Hoe ik talent voor het leven kreeg werd in januari 2016 tot Boek van de Maand verkozen in TV-programma De Wereld Draait Door. Adriaan van Dis interviewde Al Galidi in ditzelfde programma (vanaf 1:40). Het boek, de zesde roman die Al Galidi schreef, is aan zijn derde herdruk toe.

Advertenties